Veelgestelde vragen

"Het belangrijkste is niet ophouden met vragen stellen" (A. Einstein)

Op deze pagina vind u vragen en antwoorden over diverse onderwerpen, zoals salarissen, administratie, personeel, omzetbelasting en loonheffingen en overige belastingen.

Vanaf 2017 veranderen de CO₂-uitstootgrenzen en de bijtellingspercentages voor het privégebruik van personen- en bestelauto’s van de zaak. Het maakt niet meer uit op welke brandstof je rijdt. De uitstootgrenzen en bijbehorende bijtellingspercentages zijn in alle gevallen hetzelfde.

De bijtelling voor auto’s met een datum eerste toelating van 1 januari 2017 of later is 22% van de cataloguswaarde. Voor nieuwe auto’s zónder CO₂-uitstoot, oftewel elektrische auto’s geldt een bijtelling van 4%.
Het 4%-percentage geldt voor 60 maanden. De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand na de maand van eerste toelating van de auto. Het percentage blijft ook gelden als de auto van eigenaar wisselt of als een andere werknemer de auto gaat gebruiken. Na afloop van de periode van 60 maanden wordt het percentage opnieuw vastgesteld aan de hand van de regels die op dat moment gelden.

Ligt de datum eerste toelating vóór 2017, dan vindt u de bijtellingspercentages op de website van de Belastingdienst.

LIV staat voor LageInkomensVoordeel.

Neemt u in 2017 een werknemer in dienst met een laag loon dan heeft u wellicht recht op een tegemoetkoming in de loonkosten, dit is het Lage-inkomensvoordeel (LIV). Het LIV is op 1 januari 2017 ingegaan.

Dit jaar ontvangt u de volgende bedragen per medewerker:
– gemiddeld uurloon tussen € 10,50 en € 11,92: u ontvangt € 0,51 per uur, met een maximum van € 1.000 per werknemer per jaar
– gemiddeld uurloon tussen € 9,54 en € 10,49: u ontvangt € 1,01 per uur, met een maximum van € 2.000 per werknemer per jaar

U hoeft zelf geen verzoek te doen. Het UWV haalt de benodigde gegevens uit de ingediende loonaangiften over kalenderjaar 2017 en uit haar polisadministratie. Het is wel van belang dat u bij overwerk het juiste overwerkbedrag en het juiste aantal overwerkuren opgeeft.

Bij toekenning van het LIV gaat de Belastingdienst uit van de gegevens in de loonaangifte. Het LIV over 2017 wordt in 2018 uitbetaald. Het LIV geldt voor werknemers die:
– een gemiddeld uurloon verdienen van minimaal 100% en maximaal 125% van het wettelijk minimumloon
– minimaal 1.248 verloonde uren hebben
– de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt

Binnen het kalenderjaar is er geen maximumduur van het LIV. Zolang de werknemer maar aan de voorwaarden voldoet, heeft u recht op de tegemoetkoming.

De AOW-leeftijd wordt op 1 januari 2017 met 3 maanden verhoogd naar 65 jaar en 9 maanden.
De AOW-leeftijd gaat verder in stappen omhoog naar 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021. In 2022 wordt de AOW-leeftijd 67 jaar en 3 maanden. Vanaf 2023 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. U ontvangt uw eerste AOW-pensioen vanaf de dag waarop u uw AOW-leeftijd bereikt. Uw AOW-leeftijd hangt af van uw geboortedatum.
Bent u geboren na 30 september 1955? Dan is uw exacte AOW-leeftijd nog niet bekend. Maar deze is minimaal 67 jaar en 3 maanden. De overheid informeert u 5 jaar van te voren wanneer u AOW krijgt.

Het wettelijk minimumloon / minimumjeugdloon wordt door de overheid 2x per jaar vastgesteld, per 1 januari en per 1 juli.
Alle werknemers vanaf 23 jaar hebben recht op het wettelijk minimumloon. Dit is het loon dat u minimaal moet ontvangen als u werkt. Voor jongere werknemers (15 tot 23 jaar) geldt het minimumjeugdloon.

Het kabinet wil vanaf juli 2017 de leeftijd van het minimumloon in 2 stappen aanpassen van 23 naar 21 jaar. Dit staat in de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor 2017. Het gaat om voorgenomen beleid. Dit betekent dat de Eerste en Tweede Kamer de plannen van het kabinet nog moeten goedkeuren.

Het (bruto) wettelijk minimumloon per 1 januari 2017 bedraagt (per maand):

23 jaar en ouder: € 1.551,60
22 jaar: € 1.318,85
21 jaar: € 1.124,90
20 jaar: € 954,25
19 jaar: € 814,60
18 jaar: € 706,00
17 jaar: € 612,90
16 jaar: € 535,30
15 jaar: € 465,50

Als u zonnepanelen aanschaft als particulier dan kunt u de btw over de aanschaf en installatie terugvorderen (e.e.a. als gevolg van de uitspraak van het Europese Hof in de Oostenrijkse zaak Fuchs).

Om in aanmerking te komen voor BTW teruggaaf moet u zich als ondernemer laten registreren bij de Belastingdienst.
Deze verstrekt u een btw-nummer en aan het einde van het kwartaal ontvangt u een papieren BTW aangifte of verzoek om digitaal BTW aangifte te doen via de portal van de Belastingdienst (papier of digitaal is afhankelijk van het feit of het eerste kwartaal een volledig kwartaal is).

Op deze eerste aangifte betaalt u ook eenmalig een forfait wat afhankelijk is van het wattpiek vermogen van uw installatie. Door betaling van dit forfait ontslaat de Belastingdienst u feitelijk om de energiemaatschappij waaraan u de stroom levert periodiek een (BTW)factuur te sturen voor de geleverde elektra.

Aan het einde van het kalenderjaar stuurt u een verzoek naar de Belastingdienst om ontheffing van uw administratieve verplichtingen (in dit geval voor het doen van BTW aangifte).

Wij kunnen ons voorstellen dat u niet op al deze administratieve rompslomp zit te wachten. Wij hebben reeds voor tientallen particulieren dit totale traject verzorgt.
De kosten hiervan bedragen slechts € 100 (excl. BTW, de BTW wordt namelijk ook via de Belastingdienst teruggevorderd!). Indien u interesse heeft kunt u contact met ons opnemen. Wij helpen u graag verder!

Op aanslagen en aangiftes van de belastingdienst zijn vaak codes te vinden, deze codes geven informatie over de soort aanslag en de periode van de aangifte of aanslag. Hieronder vind u een overzicht van de meest voorkomende coderingen en hun betekenis.

Indien u alleen het betalingskenmerk weet dan kunt u dat met deze module omrekenen.

De codering in letters is als volgt

Omzetbelasting

B – Omzetbelasting
F – Naheffingsaanslag omzetbelasting
O – Teruggave omzetbelasting

Loonbelasting

L – Loonheffing
A – Naheffingsaanslag loonheffing
J – Teruggave loonheffingen – bijdrage zorgverzekeringswet

Inkomstenbelasting

H – Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen
N – Inkomstenbelasting (gemoedsbezwaarden)

Zorgverzekeringswet

W – Zorgverzekeringswet

Vennootschapsbelasting

V – Vennootschapsbelasting

Motorrijtuigenbelasting

M – Motorrijtuigenbelasting
Y – Naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting

De codering in cijfers is als volgt

Voor de letter vind u het fiscale- of BSN-nummer (burgerservicenummer), na de letter vind u de tijdvakcodering en de status codering. Dit werkt als volgt:

Als eerste wordt het laatste cijfer van het jaar of jaar met periode weergegeven, hierna volgt een statuscodering:

De statuscodes zijn als volgt:

0 tot en met 5 – 1e tot en met de 5e voorlopige aanslag
6 – Definitieve aanslag
7 tot en met 9 – 1e tot en met de 3e navorderingsaanslag

De periodecodes zijn maandnummers of indien kwartalen:

21 – 1e kwartaal
24 – 2e kwartaal
27 – 3e kwartaal
30 – 4e kwartaal

Voorbeelden (0000.00.000 als fiscaal / BSN nummer):

0000.00.000.H.56 – Definitieve aanslag inkomstenbelasting 2015
0000.00.000.B.01.6040 – Omzetbelasting april 2016

Heeft u nog vragen over aangiften, aanslagen of andere fiscale zaken dan kunt u contact met ons opnemen.

Iedere ondernemer is wettelijk verplicht zijn administratie 7 jaar te bewaren (fiscale bewaarplicht). Daarbij moet u denken aan:

– grootboek
– debiteuren- en crediteurenadministratie
– voorraadadministratie
– in- en verkoopadministratie
– loonadministratie

In verband met de herzieningstermijn van de aftrek voorbelasting voor onroerende zaken, zoals bedrijfspanden, moet u de gegevens van onroerende zaken 10 jaar bewaren.

Over de vorm waarop u uw gegevens bewaart kunnen afspraken worden gemaakt met de belastingdienst.